Door Hans Moors en Ben Rovers
De ambitie van landelijk en lokaal veiligheidsbeleid is het tegengaan van risico’s, het bestrijden van criminele of onmaatschappelijke activiteiten en het vermijden van onveilige situaties. Dat is een anti-ambitie: een negatief geformuleerd streven. Dit boek pleit voor een positieve en praktische benadering van veiligheid.
Veiligheid kan namelijk ook worden opgevat als een voortdurend handelen om een samenleving te organiseren die voor zo veel mogelijk mensen zo veel mogelijk zekerheden biedt. Hierbij gaat het om het herkennen van collectieve humeuren, over gevoelens en over vertrouwen, maar ook om het ontrafelen van trends en modes in het denken over veiligheid, over oude verhalen en nieuwe geloven. Veiligheid is in deze positieve benadering niet een doel op zich, maar deel van het complex van factoren dat een samenleving leefbaar maakt.
Praktijkrelevant onderzoek naar veiligheid zou zich zowel moeten richten op de maatschappelijke voorwaarden waaronder beleid wordt gemaakt of interventies plaatsvinden, als op de condities waaronder het resultaat daarvan tot effecten leidt. Het is belangrijk te weten wat werkt. Maar waar het echt om gaat, is weten hoe het komt dat een aanpak werkt. Dat is een opgave die alternatieve onderzoeksperspectieven vergt, grondige analyses van de achtergronden én het proces van de actie, met meer cultuurhistorische en sociologische breedte en diepgang dan doorgaans gebruikelijk is. Daarnaast is inzicht nodig in de manier waarop mensen in de veiligheidssector (samen) werken. Voorts is kennis nodig van de overtuiging waarmee sociale professionals binnen en buiten de justitiesector te werk gaan om de uitkomsten en effecten van hun interventies duurzaam te maken.
In dit boek worden alternatieve perspectieven geboden op drie grote veiligheidsthema’s: moslimradicalisme, achterstandswijken en de werking van justitiële jeugdinterventies, met het doel duidelijk te maken hoe praktijkrelevant onderzoek vorm kan krijgen en wat daarvoor nodig is.
Peter Klerks
Robert H. Wallace, Keith Melton and Robert Schlesinger. Spycraft: The Secret History of the CIA's Spytechs from Communism to Al-Qaeda. New York: Dutton, 2008. 549 pp., ISBN 978-0-525-94980-0.
Amerikaanse spionnen leerden in de Tweede wereldoorlog de fijne kneepjes van het vak van hun Britse collega’s, om daar vervolgens tijdens de Koude Oorlog met veel succes gebruik van te maken.
Medewerkers van het Central Intelligence Agency (CIA) plaatsten afluisterapparatuur in ambassades van Oostbloklanden over de hele wereld, ze tapten telecommunicatie af, ontwikkelden miniatuurcamera’s om heimelijk documenten te fotograferen en apparatuur om KGB-achtervolgers van zich af te kunnen schudden.
Omvangrijke budgetten boden vanaf eind jaren vijftig de mogelijkheid om innovatieve bedrijven in te huren. Net zoals in de ruimtevaart leverde research & development voor spionagedoeleinden technische vernieuwingen op in onder meer opnametechnieken, fotografie en batterijtechnologie, die later werden toegepast in de consumentenelektronica.
De geschiedenis van CIA’s Office of Technical Service (OTS) en haar geheime technieken is nu geboekstaafd in een fascinerend boek, geschreven door voormalig OTS-directeur Robert Wallace en historicus H. Keith Melton, die is gespecialiseerd in clandestiene technologie. Het boek is vooral gebaseerd op open bronnen en interviews met voormalige CIA-medewerkers. OTS bestond uit vijf onderdelen: (1) geheime communicatietechnieken, (2) observatiesystemen als microfoons, telefoontaps en videoapparatuur, (3) ondersteuning van paramilitaire operaties door onder meer sensoren en wapens, (4) vervalsingen en vermommingen, en (5) diverse fysieke en elektronische verbergtechnieken.
Technische middelen waren voor de CIA van vitaal belang om bijvoorbeeld ongemerkt contact te kunnen houden met hun spionnen in Moskou: hooggeplaatste Russen zoals generaals, die geheime documenten konden fotograferen met speciaal vervaardigde miniatuurcamera’s.
Uitvoerig wordt beschreven hoe CIA-medewerkers er in slaagden om in Moskou onder de ogen van hun KGB-achtervolgers te kunnen opereren. Zo lukte het de CIA in de jaren tachtig om een kabel af te tappen waarlangs het berichtenverkeer tussen Moskou en een geheime basis voor experimentele militaire technologie verliep.
Door langdurige en minutieuze voorbereiding slaagde een CIA-technicus er in ongemerkt speciaal ontwikkelde afluisterapparatuur van 20 miljoen dollar op de zwaar afgeschermde kabel te plaatsen, die kon worden benaderd door een putdeksel op een drukke Moskouse verbindingsweg te openen.
Ongemerkt gaten boren
De laatste hoofdstukken van het boek biedt onder meer zicht op de high tech die tegenwoordig onder meer tegen terroristische doelwitten wordt ingezet.
Toch zijn de anekdotes uit de jaren vijftig en zestig het meest interessant, omdat daar vanwege de beperkte middelen menselijke creativiteit een belangrijkere rol speelde. Zo wordt in detail beschreven hoe moeilijk het is om ongemerkt vanuit een aangrenzende kamer gaten te boren voor het plaatsen van microfoons, zonder het pleisterwerk of behang aan de andere kant te beschadigen.
Aanvankelijk kwam dit neer op voorzichtig schatten op basis van gevoel en ervaring. Wanneer men soms toch ‘doorschoot’ en er een gat ontstond, werd gegrapt dat de audio-operatie nu een video-operatie kon worden. Als echter de oogbol van een verbaasde Russische diplomaat aan de andere kant voor het ontstane gat verscheen of diezelfde man woedend bij de buren binnen kwam stormen, was er weer een diplomatieke rel geboren. Uiteindelijk werd een apparaat ontwikkeld dat nauwkeurig de resterende dikte van de wand aangaf.
Verleidelijke koopjes
Het toepassen van spionagetechnologie kwam feitelijk neer op een voortdurende wapenwedloop. De moeilijkste sloten konden worden geopend, afluisterapparatuur kon worden opgespoord en codes konden worden gebroken, maar tijd en geld waren vaak de belangrijkste obstakels.
Tijdens de hoogtijdagen van de Koude Oorlog verbleven technici soms dagenlang in een pand om dat van afluisterapparatuur te voorzien. De komst van minuscule en betrouwbare zendertjes maakte het echter steeds eenvoudiger en gebruikelijker om microfoons in gebruiksvoorwerpen in te bouwen.
Menige hooggeplaatste buitenlandse functionaris kreeg zodoende een mooi relatiegeschenk dat vervolgens omgemerkt wetenswaardigheden aan de Amerikaanse regering leverde. Echtgenotes van diplomaten liepen tegen ‘aanbiedingen’ en verleidelijke koopjes aan op markten en in winkels; decoraties en gebruiksvoorwerpen die vervolgens vastlegden of zelfs filmden wat er aan de eettafel werd besproken.
Mannen zonder tanden
Het boek besteedt ook aandacht aan de spionagetechnieken van de KGB, die in de jaren vijftig soms opvallend geavanceerd waren, maar vaak ook ronduit lomp. Zo gebruikten KGB-inbrekers draagbare röntgenapparatuur om de sloten van kluizen te kunnen openen, maar de gebruikers ervan hadden de bijnaam ‘bezzubyye’, wat zoveel betekent als ‘mannen zonder tanden’. Radio-isotopen werden door de KGB ook wel gebruikt om geheime apparatuur te markeren, met alle risico’s van besmetting voor de onwetende gebruikers en CIA-spionnen.
Afluisterkat
Natuurlijk zijn bij dit boek kanttekeningen te plaatsen. De rechtsstatelijke aspecten van het inbreken en afluisteren door de CIA komen nauwelijks aan de orde, en het implanteren van afluisterapparatuur in een kat of een vogel bijvoorbeeld zal velen met afgrijzen vervullen. De techniek staat echter centraal in deze historische studie, en iedere hobby-techneut zal de vakmatige bevlogenheid van de CIA-techneuten herkennen.
Wie beroepshalve met ‘speciale recherchetoepassingen’ doende is vindt in dit boek de geschiedenis van zijn vak weerspiegeld, van de oude radiobuis tot de hedendaagse micro-elektronica. Spycraft is een boeiend en gedetailleerd relaas van technische en tactische innovatie, dat vele voorbeelden biedt van hoe ook de moeilijkste klussen zijn te klaren met voldoende tijd, geld en lef. De afluisterkat bleek overigens te eigenzinnig om zich naar het doelwit te laten dirigeren, zodat project ‘Acoustic kitty’ moest worden stopgezet.
