Nederland leidt aan een soort collectieve pleinvrees: uit angst voor overlast volgt een overkill aan handhaving. Maar daardoor wordt publieke ruimte een opgefokte ruimte. De vanzelfsprekende gemeenschappelijkheid is verloren gegaan.
Dat betogen Hans Boutellier en Nanne Boonstra van het Verwey-Jonker Instituut, onlangs in NRC Handelblad. Nederland lijdt volgens hen aan een soort collectieve pleinvrees. Mensen vrezen de onvoorspelbaarheid van de open ruimte op straat en vinden die "eng".
Dat komt onder meer door alle rottigheid die plaatsvindt op straat. Neem de jaarwisseling: 2.500 incidenten, 140 aanvallen op hulpverleners, 940 arrestaties, 10 charges van de ME. En dan is er nog de dagelijkse ergernis over agressieve jongens die op de hoek hangen en bewoners lastig vallen.
Gevolgen zijn: de eis om betere politieinzet, camera's, samenscholingsverboden, mosquito's, kortweg repressieve handhaving. Maar overkill ligt daarbij op de loer, schrijven Boutellier en Boonstra. En: 'Slaan we niet massaal een weg in die uiteindelijk juist tot grotere escalatie leidt?'
Maar intimiderende overlast moet wel worden aangepakt. Kan het dan ook anders?
Ja, goed functionerende open ruimte kent altijd meer gebruikers - jongere en oudere. 'Niet een teveel aan jongeren is het probleem, maar de afwezigheid van andere groepen. In plaats van het kindvriendelijk maken van pleinen (een veel gekozen oplossing) kan men pleinen beter gezinsvriendelijk maken: de kinderen en jongeren komen vanzelf wel.'
'Uiteindelijk zijn het de bewoners die de leefbaarheid maken; de regulering moet ondersteunend zijn aan de spontane sociale orde.'
De onderzoekers constateren dat het in de Culemborgse wijk Terweijde fout is gegaan: overlast is jarenlang niet aangepakt, maar tegelijk is de publieke ruimte onaantrekkelijk gemaakt door verbodsborden, betonnen bielzen en een afgegraven speelplaats. Zo werd de wijk een vrijplaats waar alleen het recht van de sterkste ging gelden.
Lees
hier het artikel.
