Bas van Delden is hoofd van het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam. Zijn bureau helpt ambtenaren met het maken van de juiste keuzes in hun werk. De afgelopen jaren ontdekte Van Delden dat ook de politiek hierin nog veel kan leren. ‘Wethouders en raadsleden moeten hun dilemma’s beter doorgronden.’
Na zijn middelbare schooltijd besloot hij politieman te worden. Later studeerde Bas van Delden er bestuurskunde en rechten naast. ‘Ik heb altijd gemanaged. Eerst bij de politie, later bij het Openbaar Ministerie. In die functies zag ik hoe ambtenaren die over monopoliemacht beschikken, soms in de fout gaan. De meesten daarvan door een denkfout. Een minderheid zag ik zichzelf heel bewust verrijken.’
Tijdens zijn periode bij de gemeentepolitie in Amersfoort was Van Delden verantwoordelijk voor de horecaproblematiek. ‘Daar leerde ik hoe je integraal over integriteitvraagstukken kunt nadenken. Hoe kun je in overleg met alle partijen situaties veranderen, en daardoor gedrag?’
Van Delden paste dat principe later toe in de georganiseerde misdaadbestrijding. ‘Dat ging dan niet puur om hoe we de grootste boef zo snel mogelijk konden pakken. We dachten vooral na over de strategie van criminelen. Hoe doen ze het, en hoe kun je ze op basis daarvan met relatief simpele middelen uitschakelen?’ In 2003 aanvaardde Van Delden de post als hoofd van het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam.
‘Toen ik de advertentie van deze baan in de krant zag, zei mijn vrouw: ‘Dat ben jij.’ Mij leek het fascinerend om voor een groot apparaat als de gemeente Amsterdam wat te kunnen betekenen, op basis van mijn kennis en ervaring.’
Hoe heeft die kennis en ervaring jou gevormd?
‘Vragen over integriteit, dus uiteindelijk over goed en kwaad, benader ik het liefst in de beheersende zin. Ik ben een echte cultuuroptimist en denk dat de mens in beginsel geneigd is tot het goede. Ik realiseer me wel dat het kwaad bestaat en ik kan ook slecht tegen onrecht. Maar ik ben er eerder door gefascineerd, dan dat ik me er kwaad om maak. Het is interessant om op een structurele en preventieve manier het beste uit de mens en de organisatie te halen. Hoe kun je zo vriendelijk mogelijk interveniëren in het gedrag van overheidsambtenaren, met een ‘stukje’ repressie als sluitstuk.’
Kun je ons schetsen hoe Amsterdam tot de oprichting van een Bureau Integriteit is gekomen?
‘In de jaren ‘90 speelden een aantal kwesties die rechtstreeks met integriteit te maken hadden: bijvoorbeeld de diefstal van boedels die moesten worden verkocht of ontruimd. Deze gingen naar de opslag, waar vervolgens zaken verdwenen. Onderzoek leerde dat ambtenaren dachten: “Dat is van niemand, dus we pikken het mee.” Er waren ook problemen bij het innen van geld door parkeerbeheer. Later ontdekte de Commissie van Traa dat Amsterdamse ambtenaren betrokken waren bij de aan- en verkoop van panden op de Wallen, en daardoor een verbinding met de onderwereld hadden. Aan de oorzaken die ten grondslag lagen aan deze affaires moest de gemeente wat doen.’
Een bureau integriteit leek de oplossing?
‘In eerste instantie dacht men dat het ging om incidenten die wel beheerst konden worden. Maar dat bleek niet zo te zijn. Vervolgens werd gekozen voor een projectmatige aanpak met als slogan ‘Correct of corrupt’. Hoewel dat een goede start was, konden de problemen niet volledig uit de weg worden geruimd.
