De economen Van Velthoven en Suurmond schreven onlangs in Justitiële Verkenningen over de vraag of gevangenisstraffen een neerwaartse invloed hebben op de criminaliteit.
Zij citeren (internationale) onderzoeken die laten zien dat er van zo’n effect sprake is. Ze betogen dat criminologen moeite hebben dit te accepteren. Een pittige ondertitel kon ook niet uitblijven: ‘criminologen als struisvogels’.
Ik kan me bij die aanduiding wel iets voorstellen. Zo zei een geleerde uit deze discipline mij een tijdje geleden dat zélfs als het waar zou zijn dat incapacitatie (de dader kan in de gevangenis zo goed als geen delicten plegen) werkt, wij daarmee niet blij moeten zijn: ‘Het is toch mensonterend dat mensen in de gevangenis zitten.
Het veroorzaakt bovendien veel druk op en stress voor penitentiaire inrichtingswerkers.’ Ik heb hem aangeraden Dalrymple’s Life at the bottom (2001) te lezen. Net als de WODC-studie ‘Door naar de gevangenis’, met schattingen over wat incapacitatie ‘oplevert’ aan niet gepleegde delicten.
Theoretisch is ook iets te zeggen voor de kritiek van Van Velthoven en Suurmond.
Grondleggend aan de hypothese dat incapacitatie werkt, is de rationele keuzetheorie die vaak als een economische (gedrags)theorie wordt gezien. Veel criminologen hebben daar bedenkingen bij - zoals Elffers onlangs in zijn VU-oratie stelde.
De theorie zou te eenzijdig op kosten en baten gericht zijn. De mens als ‘boef’, ‘boef-to-come’ of ‘niet-boef’ zou geen zakjapanner zijn. Alsof mensen geen heuristieken in hun hersenen hebben, die het afwegen van pakkansen voor hun rekening nemen! Ook zou de theorie atomistisch zijn en gedrag op groeps- en collectief niveau niet willen of kúnnen zien. Alsof economen niet juist fraai geanalyseerd hebben hoe instituties, collectieve goederen en ‘padafhankelijkheden’ ontstaan.
Betreft het hier struisvogelpolitiek of paradigmatische blindheid? Ik weet het niet, maar het soort kritiek is ineffectief. In mijn eigen vak (de sociologie) heeft een vergelijkbare discussie gewoed in de jaren 70 en 80. In Nederland ging het vooral om een strijd tussen scholen in Utrecht, Groningen en Nijmegen versus die in Amsterdam.
Het was bizar te ervaren dat prachtige studies van economen naar sociologische verschijnselen (zoals echtscheiding, het krijgen of bewust niet krijgen van kinderen, seksualiteit, ‘free rider-gedrag’ op milieugebied of de effectiviteit van rechtshandhaving) enerzijds veel inzicht produceerden, maar tegelijkertijd door flink wat sociologen en lookalikes genegeerd werden omdat vanuit een ‘verkeerde’ - in casu economische theorie - werd vertrokken. Incidenteel steekt dit gedoe nog wel eens de kop op, maar veel stelt het niet meer voor.
Gelukkig maar, want kennisgroei is niet gediend met struisvogels, noch met paradigmatische eenzijdigheid.
Voor de criminologie zou ik willen zeggen: Weg met de struisvogels, deuren open voor de (rechts)economen. Dan kunnen ze meteen zien hoe economen thema’s als private rechtshandhaving, order without law, vertrouwen, (systeem)toezicht en de gedragsgevolgen daarvan én de invloed van internationale rechtstelsels op gedrag van burgers en organisaties onderzoeken. Daar valt best het een en ander van te leren.
Prof. Dr. Frans L. Leeuw is hoogleraar Recht, openbaar bestuur en sociaal-wetenschappelijk onderzoek aan de Universiteit Maastricht en directeur van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie
